

In De kaartspelers onderzoek ik de verhouding tussen man en vrouw, een dynamiek die vaak onuitgesproken maar duidelijk voelbaar is. De mannen in het werk hebben — letterlijk en figuurlijk — de kaarten in handen. Ze zitten aan tafel, verscholen achter hun posities, hun zekerheden, hun macht.
Daartegenover staat de vrouw: kwetsbaar én krachtig tegelijk. Zonder hetzelfde speelvoordeel, maar met een helder bewustzijn van haar plek in het spel. Zij handelt, kijkt, beschouwt — niet vanuit macht, maar vanuit inzicht en aanwezigheid.
Het werk toont een stille confrontatie tussen rollen, verwachtingen en de vraag wie daadwerkelijk bepaalt hoe het spel gespeeld wordt.